Raymon
StroomWekker schrijver
- Gepubliceerd
- 18 juli 2026
- Bijgewerkt
- 18 juli 2026
- Leestijd
- 7 min
Een paar weken geleden zette ik voor een vriend drie dynamische aanbieders naast elkaar in een spreadsheetje, gewoon om te zien welke voor zijn verbruik het voordeligst zou uitpakken. Binnen tien minuten gaf ik het op. De ene leverancier rekende met een verwachte beursprijs van 8 cent, de andere met 12, en nergens stond uitgelegd waar dat verschil vandaan kwam. Was de ene leverancier nu echt goedkoper, of rekende hij gewoon optimistischer?
Sinds 1 juli is dat probleem officieel aangepakt. Er geldt nu een aanvulling op de gedragscode van de energiesector die leveranciers verplicht om met dezelfde rekenmethode te werken. In dit artikel leg ik uit wat er precies is veranderd, waarom dat nodig was, en wat je er als vergelijker concreet aan hebt.
Wat is er per 1 juli veranderd?
De aanvulling op de Gedragscode Consument en Energieleverancier, opgesteld door brancheorganisatie Energie Nederland, verplicht deelnemende leveranciers om in hun voorbeeldberekeningen dezelfde verwachte beursprijzen en gestandaardiseerde verbruiksprofielen te gebruiken. Dat klinkt technisch, maar het effect is simpel: een aanbieding op de website van leverancier A wordt nu echt vergelijkbaar met een aanbieding van leverancier B, omdat beide met hetzelfde uitgangspunt rekenen.
Vergelijkingssites als Gaslicht.com werkten onderling al langer met zo'n uniforme referentieprijs. Voor de leveranciers zelf gold die afspraak nog niet, en dat zorgde precies voor het soort verwarring waar ik hierboven tegenaan liep.
Hoe groot was het verschil eigenlijk?
Groter dan je zou verwachten. Uit onderzoek van Gaslicht.com naar negentien dynamische leveranciers bleek dat zestien van hen een lagere verwachte stroomprijs hanteerden dan de nieuwe uniforme referentie. Bij een gemiddeld huishouden liep dat op tot ruim 90 euro verschil in de berekende jaarkosten voor stroom en ongeveer 135 euro voor gas, zonder dat het onderliggende contract daadwerkelijk goedkoper was.
Opgeteld kwamen sommige aanbiedingen op papier meer dan 225 euro per jaar voordeliger uit dan ze in de praktijk zouden zijn. Dat is geen rond, verzonnen getal om het verhaal spannender te maken. Het is precies waar de nieuwe rekenmethode nu een einde aan probeert te maken.
Ook beter nieuws als je zonnepanelen hebt
Voor huishoudens met teruglevering was de oude situatie nog scheever. Uit hetzelfde onderzoek bleek dat vijftien van de negentien leveranciers voor afgenomen en teruggeleverde stroom dezelfde verwachte beursprijs rekenden. Dat is niet realistisch: je zonnepanelen leveren juist terug op momenten dat het zonnig is en de beursprijs laag staat, dus teruggeleverde stroom is in de praktijk veel minder waard dan stroom die je zelf afneemt.
De nieuwe gedragscode verplicht leveranciers nu tot een verlagende correctiefactor voor teruglevering. Reken je met een verwachte all-in prijs van 24 cent per kWh, waarvan 10 cent beursprijs, dan mag voor teruggeleverde stroom niet langer met diezelfde 10 cent worden gerekend. Na de correctiefactor komt de beursprijs voor teruglevering eerder op zo'n 5 cent per kWh uit. Bij een jaarlijkse teruglevering van 2.000 kWh schilt dat al snel zo'n 100 euro in de verwachte jaarkosten, en dat is winst die eerder gewoon te optimistisch werd voorgespiegeld.
Dynamisch mag niet meer als vanzelfsprekend goedkoper worden neergezet
Een tweede wijziging valt minder op, maar is minstens zo belangrijk. Leveranciers mogen dynamische contracten in hun marketing niet langer rechtstreeks vergelijken met een gemiddeld vast of variabel tarief. In de praktijk gebeurde dat wel vaak: alleen de kale dynamische energieprijs werd naast een vast tarief gelegd, terwijl vaste leveringskosten en welkomstbonussen buiten beeld bleven.
Dat is ook logisch als je bedenkt hoe fundamenteel de contractvormen verschillen. Bij een vast contract weet je vooraf precies wat je betaalt. Bij een dynamisch contract hangt de uitkomst af van de markt, je eigen verbruik en het moment waarop je dat verbruik neerzet, en dat weet je pas achteraf.
Uit een aparte analyse van Gaslicht.com, waarbij voor verschillende huishoudtypen werd teruggekeken welke contractvorm het voordeligst uitpakte, bleek dat vaste contracten sinds 2025 voor de meeste huishoudens goedkoper waren. Voor huishoudens die actief hun verbruik naar goedkope uren verschuiven, gold vaak het omgekeerde. Welke van de twee voor jou geldt, lees je in mijn artikel over vast, variabel of dynamisch contract kiezen.
Waar moet je nu wél op letten?
Nu de verwachte beursprijs voor iedereen gelijk is getrokken, verschuift het vergelijken naar de posten die daadwerkelijk per leverancier verschillen: de inkoopvergoeding per kWh, de vaste leveringskosten per maand, de terugleververgoeding en eventuele tijdelijke kortingen. Dat zijn precies de bedragen die in de voorbeelden bij mijn artikel over all-in prijs versus marktprijs terugkomen, en het loont om ze los van elkaar te bekijken in plaats van alleen naar het genoemde jaarbedrag te kijken.
Op onze energievergelijker zet je de actuele dynamische aanbieders naast elkaar met precies die vastrecht- en inkoopvergoeding-cijfers erbij, zodat je zelf kunt zien waar het echte verschil zit.
Wat kun je nu doen?
Overweeg je een overstap naar een dynamisch contract, gebruik dan de komende weken om een paar aanbieders naast elkaar te leggen op inkoopvergoeding en vaste kosten in plaats van alleen op het geschatte jaarbedrag. Lees ook waarom de stroomprijs per uur verschilt als je nog wil weten wat er precies achter die uurprijzen zit, en bekijk Stroomprijs vandaag om te zien hoe de actuele markt zich gedraagt.
Ben je benieuwd hoe jouw huidige leverancier scoort nu iedereen met dezelfde aannames moet rekenen? Zet dan mijn gratis Telegram-bot aan voor een seintje bij lage prijzen, en deel je bevindingen gerust in de Stroomwekker Telegram-groep. Ik ben zelf ook benieuwd of de nieuwe rekenmethode in de praktijk het verschil maakt dat de sector belooft.
